Woodstock in de woordenboek

Woodstock: [wu:tstok] (Eng.)(geen meervoud – zo is er maar één)

1. (de ~)(letterlijk): houtopslagplaats. Een stapel hout als voorraad dienende om kampvuurtjes te voorzien van het nodige fikgerief.

2. One-night-festival met gezellige mensen en vredevolle vuurkes. Een mestvrije koeienweide wordt herschapen tot “fuifplace to be” ! Kleurrijke cocktails en 33cl Jupiler pinten zorgen voor een socialere tongval en het nodige lef om je danspassen te showen op de vetste muziek van vroeger en nu. Zowel avondmaal als ontbijt hoef je niet te voorzien. Hamburgers tijdens de normale fuifuren en boterkoeken bij het krieken van de dag, geven je de nodige voedingsstoffen om er steeds een lap op te geven. Wie houdt van een polé-polé-achtig salsasfeertje en lekkere huisgemaakte vruchtendrankjes moet zeker eens gaan kijken in de Cocktailbar. 

3. Ergens een Woodstockje voor steken = iemand beletten een piszetel op een kampvuurtje te gooien; Van zijn Woodstockje gaan = na het aanschouwen van schoon volk, eventjes versuft achter blijven op de wei; Iemand met geen Woodstocken buiten krijgen = veelal dronken late fuivers niet van de Woodstockwei krijgen; Een Woodstockholmer = inwoner van de Zweedse hoofdstad die zich uitleeft op de Woodstockwei.

Woodstock Baarle

Bezoek ons op

Social Networks Facebook Netlog Free tickets